maandag 16 september 2013

Druipend de graslanden volgend

Druipend de graslanden volgend

Deze ochtend kwam ik goed gehumeurd aan op het verlaten perron waar straks de Sprintertrein zou stoppen. Ik zag het wel zitten om de lange treinreis te maken naar de provincie Overijssel, waar ik zou wandelen tussen twee drooggelegde stadjes. Maar tot die tijd moest ik mij bezighouden met het reizen in de halfgevulde Sprintertrein die ik tot het eerstvolgende station zou nemen. Dan kwam er na enkele wachtminuten de dubbeldekstrein waarin hopelijk een zitplaats was. Daar kwam recht voor mij in de trein een kale man aan gestapt. Hij liep snel langs de rode zitplaatsen van de eerste klascoupé. Opeens stond hij voor mij en vroeg mij naar mijn vervoersbewijs. Ik bedacht snel een andere vraag: “was die man in de eerste klas een collega van u?” De man bekeek in een oogwenk mijn geel-gespoten kaart met een pasfoto erop. “Ja, natuurlijk”, zei de kale man snel en gaf de kaart direct terug nadat hij hem voor zijn digitale apparaat had gehouden.
Na een paar minuten was ik alles vergeten toen ik op het perron wachtte tot de Sprintertrein zou vertrekken, en daarmee ook de kale man die mij bij bleef omdat hij conducteur was. In de dubbeldekstrein zat ik op de blauwe zitplaats, tweede klas, mijn dik gekafte boek te lezen terwijl bij de volgende vier stations mensen van hun zitplaats weggingen en weer zitten. Zwolle was mijn eindstation en de grote brede brug over de perrons was overduidelijk herkenbaar als je op een van de perrons was. Ik liep een beetje slordig de vele traptreden naar beneden en wist al dat ik verder moest naar het busstation. Daar zag ik al het in/uitcheckpoortje, wat betekende dat het busstation dichtbij was en dat ik de oostzijde van de busperrons moest nemen om de streekbus te halen.
Ik had via het internet een webpagina uitgeprint waarop een duidelijk plattegrondje stond afgebeeld. De oostzijde was rechtsaf dus ik liep vlug door naar de vele busplatforms waar blauwe zuilen met witte cijfers erop aangaf welke buslijnen er stopte. In de verte zag ik al een wandel-maatje klaar staan die ook de te volgen kilometers af ging leggen. Eindelijk wist ik dat ik een bekende zag en liep hem tegemoet en groette hem meteen. De bus was halverwege de rit naar onze uitstaphalte en een kleine plaats waar we doorheen kwamen zagen we vanuit de grote ruiten van de streekbus. De streekbus maakte een aantal een draai naar rechts en terug naar links als er een rotonde gepasseerd moest worden. Gelukkig was de bus de kleine plaats snel uit en nam de snelheid toe waardoor de uitstaphalte weer dichterbij kwam. De vele regendruppels maakte het uitzicht buiten een triest en grijs schouwspel. Daar gingen de achterdeuren open en stapte we uit in de wildernis, afgezien van de asfaltweg waarop de auto’s voorbijraasde met hun waterbanden, spattend opzij.

We liepen al druipend over het grasdijkje dat eigenlijk een wandelpad was, want in het midden zag je het gras lichter van kleur worden. De paraplu van de vrouw rechts naast mij waaide heen en weer in de wind die de ruimte had om het meertje naast ons te doen golven in de storm. We trokken ons er niks van aan en kwamen vier veeroosters tegen die we met een klein overstapje met prikkeldraad over moesten klimmen.
In onze snackbar/café zaten we aan een bruine tafel met stoelen die pal naast het grote raam waren gezet, dat uitkeek op de doorgaande straat. Het was wachten op onze drankjes want eerst moest er besteld worden en de eigenaresse was nog niet te zien. Na een eeuwigheid bestelde we allen een warm drankje met iets lekkers erbij, want we hadden toch honger gekregen met al die regen. Vlak voor we dit plaatsje naderde was het al droog geworden, dus onze kleding begon al wat droog te worden. Toen we het snackbar/café verlieten zag ik rechts van mij een harige man, met zijn gele leeuwenpak, heen en weer schuiven barkruk, waarbij de stulp bij zijn kont grappig naar achteren bewoog. Ik gaf er nauwelijks aandacht aan, maar besprak het in de buitenlucht met mijn wandelmaatje die even glimlachte om het met mij eens te zijn dat het een grappig gezicht was.
De eindbestemming was al in de verte te zien met zijn weid uitziende rijtjeshuizen en een grijs gebouw dat waarschijnlijk op een industrieterrein lag. Wij liepen er links omheen over een betonnen fietspad dat al spekglad was van de vele druppels, die je kunt vergelijken met water uit de kraan die in de gootsteen spat. Het was niet fijn om alweer onder de donkerblauwe lucht te zijn aangezien we nog door moesten naar de oude kern van onze eindbestemming. Liters water vielen er op ons neer zodat we voorover bogen om het betonnen fietspad te vervolgen. Na een klein haventje met bootjes en de Nederlandse vlag wapperend op een huisje zagen we de eerste bebouwing met daarvoor het plaatsnaambord. Boven de bebouwing was een donkerbruin gebouw te zien dat het schip van een kerk voorstelde, maar dan zonder de kerktoren. Gelukkig was er een ook een echte kerk die we na vijf minuten bereikte door een stenen pad recht omhoog te lopen naar de hoofdingang. We besloten niet te schuilen in het kerkgebouw want nat waren we nog steeds en het kletterde ook nog door. Dan maar richting de dichtstbijzijnde halte waar de streekbus ons weer terug zo brengen naar Zwolle. Mar dat zou uiteindelijk langer duren dan we tot nog toe dachtte.
           

donderdag 12 september 2013

Vakantie Frankrijk/België Ardennen


De reis waar Bouillon het doel was

Dag 1: Woensdag in de middag:

Die ochtend  vertrok ik rond de klok van twaalven in de middag voor een aantal uurtjes rijden in de minibus. Om zeven uur was ik al  het huis uitgegaan om een tweetal NS treinen te nemen, om in het Limburgse plaatsje Weert te arriveren.  Iets te laat op het stationsplein hinderde niet voor het verdere verloop van de reis. Ik kreeg zelfs een koffie cadeau van een nog onbekende vrouw, bij het wachten in de coffeeshop tegenover het station. Dat was dan een meevaller want de vrouw bleek tevens ook te hebben geboekt voor de vakantie naar het zuiden.

Onderweg stopte we langs de snelweg in België voor een gastronomisch restaurant waar alleen Frans werd gesproken. De vele regen langs de autoruiten van de minibus had ons somber gemaakt. We waren als een konvooi toe aan een wandelvakantie en konden een korte stop goed gebruiken. Na het oponthoud reden we over de snelwegen en rustige asfaltwegen met hoge dennenbomen. Het gevoel dat je op vakantie was kon je duidelijk merken, want we stopten in een klein dorpje buiten de bossen, waar het erg rustig was. Alleen de heuvels verraadden dat je je in de Ardennen bevond.

De zestiger die de naam Titus had, was een oude man met zwarte haarplukken en tenger postuur. Hij legde uit wat de eerste wandeletappe inhield.  Eerst zouden we naar een klein heuveldorpje wandelen via de oude spoorrails met als eindpunt het kleine dorpje met het oude huisje. Maar eerst liet Titus ons de plaatselijke wasbak voor de koeien zien, die ook door de lokale bewoners gebruikt kon worden om schoon water te halen. We waren al langs de bruinachtige huizen gewandeld met maar twee straten en ook de wasplaats. Net buiten de bebouwing, bij een boogbrug, gaf Titus ons een kleurrijk plattegrondje in de vorm van een kaart. Er waren talrijke kleuren aangegeven waaronder zwart en wit voor de bebouwing. Er stonden meerdere rondjes op getekend hoe de wandeling afgelegd kon worden zodat we zo min mogelijk zouden verdwalen. Hij  gaf ons ieder een plattegrondje en liep toen in tegenovergestelde richting naar het busje. De route was duidelijk en zo besloten we de spoorrails te volgen.
De spoorlijn liep in een rechte lijn en had grind, dat knarste onder onze wandelschoenen. Op de rails lopen was mogelijk maar het bruinachtige hout was glad en je kon dus vallen. Gelukkig haalde we het eerste dorp waarvan de kerktoren duidelijk te zien was bij de stijgende dorpsweg naar het kerkplein. De aanhoudende regen die al geruime tijd aanhield was verdwenen en strepen licht in de verte gaven de lucht iets moois. Na ruim een uur te hebben genoten van de weidse heuvels kwam er en een voorbijrazende brommer langs, die zijn voorlicht fel aan had staan. De brommer reed sloom voorbij met zijn berijder gepakt in helm en dunne bedekte kleding. Na een grote heuveltop we in een straat met aan weerszijden oude boerderijen. Vanaf de straat keken we in de diepte naar beneden en even later zagen we ons kleine hotel. Het klein hotelletje wat ik voor ogen had,  was een klein huis met bruine kalkstenen en een gammele voordeur. Als groep moesten we via de achtertuin naar binnen waar je eerst wat slecht uitziende treden op moest. Rond de klok van zeven stonden we boven op de veranda te genieten van het weidse uitzicht. Na een poosje draaiden we ons om, en door de kraalgordijnen liepen we het huis in. Deze waren de inloop tot het huis met een badkamer en twee slaapkamers op de eerste verdieping. Voorin was het woongedeelte met keuken dat er vrij ruim uitzag.

Toen we de rood uitziende soep hadden gehad werd na een uur pas het echte maal geserveerd dat uit couscous en sla zou bestaan, waardoor het ook het laatste eetgerecht van de dag werd. Om de tijd tussen de soep en het echte maal te overbruggen kletsen de dames, eind veertigers door elkaar en lachten de drie heren om hun eigen grappen. Rond elven gleed ik mijn logeerbed in dat in de ruim opgezette blokhut stond. Naast nog een tweede bed was er een middelgroot tafeltje en houten schappen waar flessen water naast elkaar lagen.  De metalen sleutel was de manier om deze blokhut af te sluiten voor ongewenst publiek. Dat hoefde mijn groepsgenoot en ik nu niet meer te doen want in de nacht kwam er niemand in zo’n klein dorpje als hier. Maar overdag was het wel slim, want de sleutel is er niet voor niets. Met een tevreden gevoel sliep ik in tot de volgende ochtend.

Dag 2 Donderdag Mouzon - Mouzon

Zeven uur stond de digitale wekker afgesteld in mijn Smartphone waar mijn slaapgenoot ook wakker van werd. Bij het ontbijt voor de lunch paarse bramenjam gesmeerd op de knapperige afgesneden stokbroden die de reisleider had afgehaald bij de plaatselijke boulangerie. Maar dat wisten we stiekem ook wel, omdat Titus erg vroeg de deur uitging en zijn minibusje ronkend startte in de kille ochtendlucht. De stokbroden waren alleen te snijden met een vrij lang broodmes die pas werd aangereikt toen we in de knapperige croissantjes een hap hadden genomen.

Als konvooi gingen we twintig kilometer wandelen met begin en eindpunt in hetzelfde plaatsje, dat ook wel als rondwandeling wordt gezien. Mouzon was langs de rivier opgebouwd en we liepen na een korte autorit dan ook het stadje uit over het brede grasland dat hoog aangegroeid was zodat je van voeten tot middel in de grassprieten zat. We wandelden al schuifelend verder langs de lange blauwe rivier met zijn brede bochten.

Eenmaal in het eerste dorp aangekomen waren we gelijk moe van het vele klimwerk vanaf de rijksweg in een rechte lijn naar boven. De kerk zag er armzalig uit met verder ruime woningen van bruin leisteen. Onze tussenstop was Lombut waar een chateau bij het groen van bomen zou liggen. Na veel klimmen en dalen waren we een keer verkeerd gelopen en had ik mijn verhaal aan mijn wandelgenoot over de wereldeconomie helemaal afgerond. Op het laagste punt was het chateau dat afgesloten was door een ijzeren hek waarbij geen bordje met openingstijden stond zodat we alleen de buitenzijde konden aanschouwen. Dan maar weer de lus van weg naar boven volgen richting Mouzon. Bij de rust bij een oud kerkje met begraafplaats dat relatief klein was keken we loodrecht naar de T-splitsing die in het dal lag. Straks moesten we schuin door het dichte woud naar de hoogste top van de omgeving dat het niet haalde met een Alptop in de sneeuw.

Het middagmaal verteerde snel zodat we er weer tegen konden en de laatste kilometers feitelijk minder zwaar zou maken. Bij de drukke rijksweg op de heuvel besloten er twee niet mee te gaan voor het grandioze uitzicht op Mouzon, zodat we met minder de grasheuvels beklommen. In het midden van het stijgende pad was groen oud gras vertrapt maar links en rechts was het gras verdwenen zodat er twee wandelaars naast elkaar konden wandelen. Dat deden wij niet, waardoor er een keurige rij mensen ontstond dat langzaam aan het klimmen was. Op de top van grasland en twee gelijke zandpaden keken we uit over de plaats die onze eindbestemming was. Toch maar afdalen was de enige mogelijkheid om verder te genieten van het uitzicht en waardoor de eindbestemming steeds dichterbij kwam.

Beneden in Mouzon was na de nieuwe woningen ook een hoekrestaurant dat we rechts lieten liggen om het historische centrum te verkennen. Het was niet veel pluis, want de cafés waren bijna allemaal gesloten en de plaatselijke boulangerie had met een boze bakkersvrouw geen klant kunnen krijgen met te weinig zitplaatsen. Dan maar de oude kerk bezichtigen als we de tijd op een andere manier moesten indelen want het regende niet. Of buiten op het ijzeren bankje zitten om op de minibus te wachten die ons het laatste stuk tot onze vakantiehuis zou besparen. De verwarmde pasta met gebakken groenten smaakte die avond goed en de avond gleed voorbij met sterke koffie en een glazen kopje wijn, want er waren geen wijnglazen.

Dag 3: vrijdag Rochefort - Bouillon in de Belgische Ardennen

Geregend had het zeker want ik trok het rolgordijn snel omhoog en Joris kwam uit zijn bed en sprak al gelijk over nattigheid. Gelukkig viel het na het ontbijt en een autorit van veertig minuten wel mee we kregen zelf nog een wandelstok van de oude Titus. De wandelstok liep van mijn voeten tot mijn borst zodat ik het makkelijk met mijn linkerhand kon meebewegen. We waren op de parkeerplaats met drie eind veertigers, twee dertigers en twee zestigers in het plaatsje Rauchefort,  waar we straks de diepte in zouden kijken voor het uitzicht van het piepkleine dal dorpje Frahan. Dit dal dorpje had weinig noemenswaardige horeca en enkele heuvels die erg steil waren. De deriger, de zestiger en twee eind veertigers gingen bovenlangs het plaatsje. De andere dertiger, zestiger en eind veertiger gingen beneden langs het riviertje, dat kleiner werd toen na een tijdje het pad schuin omhoog liep naar de hoogste top in het bos. De boomwortels staken gevaarlijk uit de grond dat ons pad kruisten bij de klim. 
Op de top kwamen we allen tezamen nog niet uitgeput  van de klim bovenlangs. Vanaf deze top waren we herenigd als een konvooi en gingen verder het zonverlichte bos door.
We kwamen bij een hotel, en waren wel toe aan een kopje koffie. Maar het was helaas gesloten. Binnen liep een oudere vrouw, die ons leek te zien, maar net deed of ze ons niet zag. Helaas, geen koffie voor ons wandelaars. Tegenover het hotel zagen we opgestapelde boomstammen in de zon die eruit zagen als bruine dikke schorsranden van wel 4 meter lang. Ideaal om op de bovenste boomstammen te ploffen en de stokbroden uit de plastic boterhamzakjes te halen. De oude vrouw was ondertussen met haar zwarte hond langs gekomen om met het dier te gaan wandelen. Over modderige tractorsporen richting het dorp dat diep het dal in lag. Het ruime bankje bood net niet genoeg plaats voor ons allemaal en dus besloten ik en de eind veertiger te blijven staan. Gespannen kauwde ik mijn laatse boterham weg.

Blij het eerste restaurant te zien sinds het kasteel en het stenen gruispad, zaten we onder het uitschuifluik te genieten van onze bestelde drankjes. Titus had ons eerder al verteld dat we straks een klein zijstraatje in moesten om de weg naar het burchtplaatsje te vinden. Geen auto of vrachtwagen die ons nog in kon halen, want we zaten in de afdaling naar de hoogste top van de dag. De witte caravans waren in de diepte van het dal duidelijk te zien, naast elkaar en met de deuropening naar de stromende rivier gericht. Wat hier was te zien leek op een panorama van Henri Jonas in zijn jonge jaren.
Toen we vervolgens onze blik de andere kant van de rivier oprichtten zagen we de vele graslanden met op ruime afstand van elkaar de wit-zwarte koeien staan. Helaas moesten we naar beneden over vele afgevallen bomen die uitgestrekt ons pad blokkeerden. De stromende rivier lag links van ons toen we de camping verlieten en het cijfer dertien van de wandelroute volgden. Dit getal dertien was aan een boomstam getimmerd zodat je het idee krijgt dat je goed op moest opletten waar je heen moest. Het pad kronkelde met het rivierstroompje mee richting het kasteel van de kasteelheren van Bouillon die het hoog in een hoekvorm hadden gebouwd op een enorme heuvel. Deze hoekvorm was het eerste wat wij zagen toen we het dorp Bouillon naderden.

We waren blij en opgetogen om het uitzicht te aanschouwen, want misschien konden we de enorme heuvel beklimmen en op de top ons als kasteelheren/vrouwen welkom laten heten. Vlak voor we de kaarsrechte stenen tunnel inliepen zagen we twee richtingwijzers met allebei de plaats Bouillon erop, zodat we twijfelde of we niet de weg langs de rivier moesten volgen. De tunnelweg bleek meer resultaat te hebben want honderd meter verder zagen we de boogbrug die het stadje scheidde van de tunnel. Een goed glas bier was niet ver weg, want het eerste café was direct na de boogbrug langs de rivier. Er moest nu gedronken worden op de wandeling die volgens een strak schema was gelopen. Als afsluiter bekeek ik met een van de eind veertigers nog een paar straten aan weerszijden van de Semois.

Dag 4: Stijgende akkerlanden - Mouzon

De dag zag er heiig uit met het vochtige gras dat fris van de dauw in de nog bewolkte lucht lag. De wandeling van vandaag bevatte vier variaties die je met omwegen kon belopen. Het plaatsje Poullan zou de kleinste nederzetting worden gedurende de etappe. De heuvels met in de verte de plaats met de witte fabriekshallen en zijn kathedraal van twee stenen torens zou de eindbestemming betekenen. Dan zou er nog een ritje naar Sedan op het programma staan met een lang dinertje. Maar eerst de vele akkers bewonderen vanuit ons minibusje dat laag en hoog door de velden reed. Op de hobbelige asfaltweg ging het, buiten het dorp, naar een omhooglopend pad dat omgeven was door oranje-geelachtige akkers. We waren al uitgestapt toen we de dagrugzakken op onze schouders hesen zodat de rugzak makkelijk meeging gedurende de hele wandeling. Lekker in de ochtendmist en frisse lucht van de Ardennen de akkers volgend in de heuvels. Het eerste dorp was nog net niet uitgestorven, want er was een klein winkeltje waar je behalve een fruitautomaat ook gewoon wat koffie of frisdrank kon bestellen. Dit zou later de enige pleisterplaats zijn van de route, want de meegegeven plattegrond liet een rode en getekende streep zien net buiten het dorp, waar café mee bedoeld werd. Een stijgend grindpad was uiteindelijk de te volgen wandelroute, want de routemarkering was met gele pijlen uitgezet zodat er weinig te kiezen viel. Hier hadden we naar uitgekeken en de zestiger liep al driftig voorop om het wandeltempo aan te geven.

Het plaatsje Pourran lag maar enkele kilometers van ons einddoel vandaan en zag er verloederd uit met maar een straat. Een jongensgezicht stak uit een raam van het huis dat links voor in de straat lag. Niks bijzonders want na twee minuten was zijn gezicht verdwenen nadat hij ons geobserveerd had op het enige bankje waar wij zaten. We besloten niet langer te blijven in Pourran en de zon achter ons te laten, in noordoostelijk richting, om Mouzon te bereiken.
Toch zaten we die avond na een snelle autorit in het witgekleurde restaurant dat ingetekende schilderijen op de muur had geprojecteerd zodat je het idee kreeg het Griekse platteland te zijn ingegaan. Twee tafels waren naast elkaar geschoven zodat we elkaar recht aan konden kijken, alleen de eind veertiger aan het hoofd van de tafel keek iedereen zijwaarts aan. De hoofdmaaltijd kwam twee uur te laat, wat door de vele gasten kon komen. We hadden meer dan genoeg van die kleine Griekse broodjes die in de eetmandjes waren gelegd. 

Rond half elf hadden we na het afrekenen in het restaurant en de nachtrit over de Franse wegen wel een klein drankje verdiend in het vakantiehuis. Wat thee en koffie maakten het aangenaam aan de tafel met zeil erover dat al aardig gaten begon te vertonen. Dit hadden we al een aantal dagen moeten accepteren want we waren nog steeds gasten van onze Titus die in de keuken sliep op zijn benauwde klapbedje. Daar hadden we alleen van gehoord want het klapbedje was overdag niet zichtbaar in de keuken. Geen wijn of bier betekende sneller naar bed en zo liep ik moe maar tevreden met de sleutel aan het vierkante houten blok naar de donkere blokhut, als einde van deze dag.

Dag 5: Romeins badhuis - verkeerd dorp

Ik werd wakker van het zoveelste geluid van de herhalende ringtone. Deze kwam luid en duidelijk uit mijn Smart Phone die in mijn over de stoel gehangen broek zat. Eerlijk gezegd wilde ik ook opstaan, want ik wist dat het op zondag de laatste wandeling van de week was. Dat het de dag was van het eitje bij het ontbijt hoopte ik wel omdat Titus hier niets over had gezegd. Maar aan tafel lag er geen eieren bij de geserveerde stokbroden in de rieten mand. Dat gebeurde doorgaans alleen bij mij thuis in de kleine keuken met de ronde granieten gootsteen, waar het eitje uit de pan dan in werd afgegoten. Dan toch maar het zelfde stokbrood met koffie en thee om daarna aan het inpakken en inladen in de minibus te beginnen.
Het startpunt van de drie uur durende wandeling begon op een kleine parkeerplaats naast een Romeins badhuis. Dit was maar twee minuten verwijderd van de parkeerplaats en had nog een loopbrug die je met de enige wenteltrap kon beklimmen. Het was een ruïne geworden zoals je ziet als er opgravingen in het zand zijn gedaan door archeologen. De daken van het badhuis waren bijna kapot en vertoonden scheuren aan de randen. Toch kon je op de loopbrug het geheel aanschouwen dat van bovenaf alleen maar zand leek. De Romeinen die er gebaad hadden waren er niet bij te denken evenals de bedienden van het badhuis. Na onze bezichtiging ging de asfaltweg kronkelend door de heuvels van akkers en graslanden. Na het natte gras tot het laagste punt te zijn overgelopen was de kleine rivierstroom duidelijk te zien, met in de verte een strandje met forse stenen bezaaid die er duidelijk lang hadden gelegen. Obstakels als prikkeldraden en prikstruiken kruisten ons pad langs de ruime waterpartij. Tot onze spijt kwamen we in het verkeerde dorp uit zodat we nog net geen ruzie kregen over hoe we verder de eindbestemming moesten bereiken.

De rivier op de meegegeven plattegrond gaf verschillende routes aan en ook twee dorpen die langs de rivier lagen. Het verkeerde dorp, waar we dus beland waren, had een heuveltop waar een postkantoor was gevestigd in een oud monumentaal pand. In het gras voor de kleine trappen stond het standbeeld van de stichter van dit dorp. Een marmeren beeld met een lichaam en gezicht dat  keek naar het gras onder hem. Toch maar even bellen met onze Titus bleek later geen slechte zet. In de minibus was de cd aan het afspelen met jaren 60 en jaren 70 muziek net als in een discotheek, alleen zonder de lichten en de bar. We zongen er vrolijk op los zodat de weg naar Florenville en de landsgrens korter werd en we de trieste bewolking vergaten.
Dat Florenville in het buurland lag vond niemand erg, want we waren erg toe aan een lekker drankje. De eettent die in de drukke hoofdstraat lag bezat ook een eerste etage met behalve stoelen ook luxe lange banken om op te gaan zitten. De kaart bevatte alle eten en drinken behalve het diner waar we ons niet om bekommerden. Onderweg naar Nederland besefte ik dat de milkshake makkelijk te drinken was geweest en anders was  het bij de snackbar te krijgen, wat mij wel wat lekkerder leek. De lucht was grijs en de snelweg druk met om de vijf minuten een langsrijdende auto met meestal vakantiegangers erin. Bij het overleg in het minibusje over de uitstapplaats hadden we de eerste passagier al afgezet in Mariadorp dat net over de landsgrens lag.

Besloten werd als konvooi de stop te doen bij het treinstation niet ver van de tweede rivier vanaf het zuiden van Nederland gezien. Uiteindelijk werd het begin van de avond de aankomsttijd en afscheid nemen was het eerste wat het hele konvooi, inclusief Titus deed na het aannemen van de bagage. Met zijn alsmaar rustige karakter was er geen snelheid in zijn manier van handelen. Het afscheid was hierdoor niet al te moeilijk, gezien we naast het treinstation waren geparkeerd. We hadden al eerder een volgende wandeletappe gepland tijdens ons etentje in Sedan, dus we hadden al een leuk vooruitzicht. Toch was in de trein naar Utrecht de vermoeidheid af te lezen want we zaten een beetje schuin in de treinstoeltjes. Van de eind veertigers was er een die ontbrak, maar daar dacht niemand aan. Ook Titus was mijn zijn minibusje op weg naar de hoofdstad Amsterdam. De trein bracht ieder van ons een stukje dichterbij huis zodat het donker uit de treinruiten snel plaats zou maken voor ons eigen warme bed. Dan was het slechts voor mijzelf nog een kwestie van de juiste rit naar Arnhem te volgen, en voor mij het hopelijk korte sprintertje naar mijn dorp zien te halen. Op naar mijn vertrouwde huurwoning!